GERARD REVE 100
BOUDEWIJN BÜCH 75

- derde deel (slot) -

deel een en twee (of lees het hele verhaal in PDF)


terug naar de nederlandse letteren


www.aeric.nl

 

In oktober 1994 verscheen onder het aegis Sub Signo Libelli een smaakvol in violet en zwart gedrukt bibliofiel werkje waarvan het colofon onder meer het volgende meldt:
 


 
Drie Reve-gedichten van Boudewijn Büch werd in december 1993 geschreven ter gelegenheid van Gerard Reves zeventigste verjaardag en des zangers vijfenveertigste.

Boudewijns al eerder aangekondigde hommage aan de Volksschrijver, een boekje waarover een paar hardnekkige misverstanden  [1] [2] de ronde doen, was met enige vertraging gereed gekomen.

Omdat een feestelijke overhandiging niet tot de mogelijkheden behoorde kreeg Gerard Reve zijn exemplaar per post toegestuurd.

Niet geheel tegen de verwachting in bleef een reactie uit.

DRIE REVE-GEDICHTEN vormde een passend en waardig sluitstuk van de langverwachte publicatie die ik december 1994 kon laten verschijnen onder de titel:
 


 
GEZICHT OP KERSTMIS, een catalogus met bijzondere werken van GERARD REVE, waarin opgenomen DE REVE-COLLECTIE VAN BOUDEWIJN BÜCH.

Want inderdaad, na vier jaar zeuren was het me eindelijk tóch gelukt de Reve-spulletjes bij Boudewijn uit de kast te trekken:
 


 
Het inmiddels beroemde exemplaar van De Avonden met opdracht aan Jacques Presser, waarover Boudewijn in 1989 in NRC-Handelsblad zijn artikel Een Bibliofiel Hoogtepunt [3] publiceerde; het zakagendaatje en het stapeltje drankrekeningen uit respectievelijk 1957 en 1964, allebei zaken waar hij dan weer minder leuke stukjes over schreef; wonderlijke opdrachtexemplaren; een lang en woest rijmend gedicht getiteld Alles voor Boudewijn en nog veel en veel meer.

Deze collectie, inclusief de omvangrijke correspondentie [4] waarvan ik de "andere kant" al jaren in fotocopie in bezit had, vormde uiteraard de basis van de verhaallijn van mijn boekje.

Maar de catalogus bevatte ook meerdere objecten die rechtstreeks bij Gerard Reve vandaan kwamen.
 


 
Zoals een doorleefd exemplaar van Nader tot U, door de auteur eigenhandig omgedoopt tot HET JONGENS VOETBALBOEK, voorzien van talloze aantekeningen en Duitse vertalingen van vele van de daarin opgenomen gedichten; een exemplaar van Het Zingend Hart, waarin Reve enkele verzen in het Engels te lijf was gegaan; een grote collectie handgeschreven gedichten waaronder uiteraard GEZICHT OP KERSTMIS en andere tot de verbeelding sprekende zaken.

Mede om die reden leek het mij raadzaam om op één bepaald object uit Boudewijns bezit niet al te veel nadruk te leggen: de transcriptie [5] van een geruchtmakend interview uit januari 1983, met kraakheldere geluidsopnames op cassetteband.

Ach ja, dat interview, dat interview....

Zou het zin hebben daar nog woorden aan vuil te maken na al dat geheimzinnige gedoe uit 2016?
 


 
Na al dat malle gesol met die tapes en al die triomfantelijke onthullingen, terwijl de “reservebanden” inmiddels al uitgebreid door meerdere betrokkenen (nota bene bij mij thuis aan de keukentafel) waren geraadpleegd?

En dat alles - godbetert - alleen maar ter promotie van die hijgerige biografie van Boudewijn Büch?

Nee, veel nut zal het verder niet hebben, er is al meer dan genoeg schade aangericht.

Maar laat ik niet al te veel afdwalen, we hebben iets te vieren, want...:
 


 
Bovenstaande kop sierde het artikel in Het Parool van 15 december 1994 waarin GEZICHT OP KERSTMIS, mijn eigen Bibliofiele Hoogtepunt op spectaculaire wijze werd aangekondigd:

Boudewijn Büch heeft weer een kastje omgekeerd en de Slegte verklaart december tot Reve-maand.

En verder?

Reve-moeheid.....

Büch-slijtage.....

De bibliofilie een beetje beu [6].

En niet onterecht: je kunt niet aan de gang blijven met de fratsen van die twee.

Toen niet en nu niet.

Tijd om af te ronden.

De contacten met Boudewijn Büch bleven intensief als voorheen [7], de afstand tot Gerard Reve - hoewel inmiddels zo’n 900 kilometer deze kant op geschoven - werd daarentegen groter en groter.

En zo hoorde het natuurlijk ook.

Het laatste persoonlijke levensteken dat ik van Gerard Reve mocht ontvangen was een gesigneerd exemplaar van de in 1994 verschenen herziene editie van zijn Brieven aan Josine M.
 


 
Een dertien-in-een-dozijn opdracht, daar ben ik mij van bewust, maar wel een met een zeer opmerkelijke datering: 23 november 1994.

Op 23 november 2002 zou Boudewijn Büch komen te overlijden.

Het laatste directe contact dat Reve van mijn kant heeft ervaren was de ontvangst van de bestelling uit de catalogus Gezicht op Kerstmis: een keurig exemplaar van het grammofoonplaatje IK BAK ZE BRUINER.

Ik had me geen mooiere afsluiting van de correspondentie kunnen wensen.

De laatste keer dat ik Boudewijn in levenden lijve zag was op zaterdag 2 november 2002, tijdens het inladen van een aantal dozen met boeken en handschriften vanuit zijn huis aan de Keizersgracht.
 


 
De resultaten van deze allerlaatste ontmoeting zijn terug te vinden in mijn in maart 2003 verschenen catalogus DE VERZAMELAAR VERZAMELD.

Ironisch genoeg was het overlijden van Boudewijn aanleiding voor hernieuwd contact met Huize Reve.

Joop Schafthuizen reageerde tot mijn opluchting zeer positief op de ontvangst van het hem kort voor 14 december toegezonden exemplaar van Gekke Jongen, Wijze Man, een boekje dat ik niet had kunnen of willen schrijven als Boudewijn op dat moment nog in leven zou zijn geweest.

Een bezoek aan de voormalige dokterswoning te Machelen aan de Leie, juli 2004, stelde mij in staat om nog één keer een bijzondere catalogus samen te stellen met werk van Gerard Reve.

In deze catalogus was ruimte gereserveerd voor de aankondiging van een door mij te verzorgen publicatie van enkele bijzondere brieven van Gerard Reve aan Boudewijn Büch, een bibliofiel project waarvoor in september 2004 de manuscripten waren aangekocht en de contracten ondertekend.

Als gevolg van enkele onvoorziene obstakels is in goed overleg besloten de editie uiteindelijk niet te realiseren.

Verdere details over de achtergrond van deze uit de archieven van de Volksschrijver opgediepte brieven - een even verrassend als gecompliceerd verhaal - worden op een later moment hier uit de doeken gedaan.
 


 
Mijn in december 2004 verschenen catalogus DES AVONDS LAAT bevatte naast beschrijvingen van vele boeken, manuscripten en andere zaken van de hand van Gerard Reve ook een afdeling gewijd aan meerdere áán de Volksschrijver gerichte brieven.

Het boekwerkje wordt afgesloten door een tot dan toe ongepubliceerd fragment, 12 pagina's in druk, uit de oerversie van Reves korte roman De Stille Vriend uit 1984.

In dit op zichzelf staande fragment speelt het (zwart) reizen per trein een belangrijke rol, leest u op uw gemak de volgende prachtige regels:

Het landschap bij nacht is een eindeloos afgerolde, langwerpige prent van de vergeefsheid van het menselijk bestaan.

Al die perrons van vooral de kleine stations, de verlaten stationspleintjes en ‘hoofdstraten’, het laboratoriumlicht, de rose rechthoeken van lampschijnsel achter gordijntjes van huisjes waarvan de eigenaars en bewoners jaren lang krom hebben gelegen om ze te kunnen kopen, vol hoop voor hun opgroeiende kinderen [...].

En, altijd, de onvermijdelijke gedachte, neen, zekerheid, dat in bijna elk van die stadjes en gehuchtjes, op één armoedig zolderkamertje, net zulk een jongetje woonde als ik, dat met mij mede zoude willen gaan, voor goed…

Maar die, indien hij, door een bevel in een droomgezicht gedreven, naar het station zoude komen, zulks te vergeefs zoude doen, want de trein zoude in dat gat niet eens stoppen, doch, zonder vaart te minderen, met honend gefluit onder de stationskap door stormen.


Gerard Reve en treinen, iemand zou er een boek over moeten schrijven.

Met de wonderlijke ontmoeting met de Volkschrijver op station Hilversum in gedachten sluit ik af met de woorden Gezondheid! Goede reis!


Eric Schneyderberg - december 2023


...................................


NOTEN:

[1]
Er is al een tijd een boekje in omloop getiteld Pakhuis Büch, waarin met stelligheid wordt beweerd dat Boudewijn "de constructie" om met mij in zee te gaan "had bedacht" voor "een zo groot mogelijk geldelijk gewin."

Ingefluisterd? Zelf verzonnen? Maakt niet uit, het is onzin.

Het initiatief voor Drie Reve-gedichten kwam vanuit de Kalverstraat, Boudewijn vond het een aardig idee en Ger Kleis was graag bereid om het werkje te drukken.

Na goedkeuring van het ontwerp en (onder protest, want toch wel heel lelijk) bandontwerp werden afspraken gemaakt over de verdeling van de oplage, prijsstelling en datum van uitgifte.

Het feit dat de drukker zijn deel van de oplage eerder aanbood dan de bedoeling was maakte Boudewijn zo giftig dat hij besloot alle andere exemplaren te voorzien van een bijlage met daarin een vierde gedicht, dit "als waarschuwing en strenge straf voor meesterdrukker K".

Voor de goede orde: Boudewijn heeft voor dit project geen enkele geldelijk vergoeding gevraagd of gekregen, zijn aandeel in de "winst" bestond uit 3 exemplaren van het boek, een luxe en twee reguliere, om precies te zijn.

Ook voor zijn medewerking aan andere luxe edities die ik van werk van hem heb mogen uitbrengen, zoals de Verzamelde Gedichten (1995), zijn Een Boekenkast op Reis (1999) en De Goethe-Industrie (2002) kreeg hij niet betaald.


[2]
Voor de bezitters van het kleinood: de bijlage werd door Boudewijn vervaardigd in een oplage van 45 stuks, waarvan 25 met het vers in handschrift, alle door hem voorzien van een doorlopende nummering.

De dichter had zich echter niet gerealisserd dat de nummers onderling waren verdeeld en de reeks daardoor onderbroken was.

In de om die reden gefabriceerde corrigerende "Mededeling aan vijfenveertig poëzieliefhebbers" sloop wéér een fout: hij was vergeten de nummers van zijn eigen exemplaren in de reeks op te nemen, zo werden er dus maar 42 benoemd.

We hebben het maar zo gelaten, want toegegeven: het was allemaal al potsierlijk genoeg.
 


 
Wat die extra handgeschreven regels Dit is papier / dat ik ontsier betreft: deze slogan had Boudewijn toen net verzonnen, hij was er zo trots op dat een tijd lang bij mij geen boek of blaadje meer veilig was….

Er zijn minsten twee exemplaren van het Gerrit Komrijs De Bibliofiel in omloop waar deze regels in neergekrabbeld staan. Nee, dit is geen grap.

Reves exemplaar van deze bijlage, met gesigneerde opdracht Voor G.K. v/h Reve - niet afgehaald, ligt na al die jaren nog steeds voor hem klaar.


[3]
Net als vele andere hier aangehaalde artikelen is dit stuk via delpher prima terug te lezen.

Een maand voor zijn plotselinge dood kocht Boudewijn Büch dit bijzondere exemplaar, dat al die tijd onverkocht bij mij op de plank was blijven staan, terug.

In 2004 was ik in de gelegenheid ook de dankbrief die Presser, Reves voormalige geschiedenisleraar aan het Vossius Gymnasium te Amsterdam, naar aanleiding van de ontvangst van het exemplaar schreef te verhandelen.

Een jaar later werden boek en brief weer bijeengebracht, voor zover ik weet zijn ze dat nog steeds. Een mooie gedachte.


[4]
Over deze correspondentie is het een en ander te doen geweest.

Maar de allerbeste quote, te vinden in Reves brief aan Büch van 28 november 1984, heb ik nog nooit ergens terug gezien:

Toen mijn broer ouder was dan ik, en op het Gymnasium Latijns leerde, gebruikte hij stiekem een goedkope Duitse vertaling van Homerus, van Tauchnitz Verlag, geloof ik, krantenpapier en okeren koeverture omslag.

Het boekje heette HOMERS GESÄNGE, maar omdat ik (zoveel jonger) nog niet vertrouwd was met de gotiese letter las ik SOMERS GEFANGE (ZOMERS GEVANGEN), welke titel bij deze van mij is, en gekleemd, denk daaraan.



[5]
Zomaar een fragment uit deze transcriptie, waaruit maar weer eens blijkt dat de Volksschrijver van alle markten thuis was:

Tegenwoordig zijn de omslagen zo dat een buitenlander niet kan zien wie de auteur is en wat de titel is.

Dan komt er iets bij de Bezige Bij uit en dat heet Bleekers Zomer van Mensje van Keulen.
Ik denk Bleekers Zomer is wel een mooi pseudoniem en Mensje Van Keulen.
Ja, natuurlijk, een eenzaam mens, een kleine zandkorrel in een grote wereld.

Ik wist niet beter, maar je kon het ook niet zien aan de typografie.
Of het is verticaal, of het staat op zijn kop, je moet het boek op zijn kop houden, of op je hoofd leggen.

En onbegrijpelijke, verschrikkelijke dingen komen daaruit.

Maar ik heb gezegd: gewoon de naam, de titel, een contrasterende kleur, achter op een foto uit de periode dat ik het boek schreef; en wel zo dat de mensen die de winkel binnenkomen aan het einde van de winkel het boek kunnen zien liggen.

En dat ze het kunnen herkennen als een boek van mij, begrijp je?

Als je koffie hebt en er staat op Koffie Van de Gekroonde Moor en er staan 2 Moren op met een pijp en een ton in het midden (je kent het wel, West-Indische chocolade om te eten) en die koffie is goed, dan koop je ook die thee.

Dat is dan hetzelfde embleem, alleen misschien een ander kleurcontrast.
En ook de chocola koop je dan.

Dus ik voer dat bepaalde ontwerp.
En dan komt het volgende boek uit en iedereen kan zien dat het een boek is van Gerard Reve.


Van de in 2016 naar buiten gebrachte citaten uit het interview werd er eentje in korte tijd erg populair: die van de Panorama's.

Tijdens de voorbereidingen voor deze stukjes stuitte ik in mijn archief op een onbekende, door Gerard Reve op 14 april 1982 opgestelde brief aan een bevriend echtpaar, en las tot mijn verbazing de volgende passage:

Ik leef in de vreze van het Oordeel [...].

Kijk, als ik daar aankom kan hij zeggen: 'Je hebt dit en dat gedaan, veel kwaads en niet zo heel veel goeds, dus zus en zo zijn je lot en je volgende taak en bestaan'.

Maar wat als hij zegt: 'Ik ken jou helemaal niet', en mij in alle eeuwigheid in een wachtkamer met oude Panorama's laat zitten?



[6]
De oplossing van al uw problemen:
 


 
Aldus Gerrit Komrij in mijn in slangenleer gebonden exemplaar van zijn boekje De Bibliofiel (Rotterdam, Bébert, 1980), formaat: 11,5 x 7 cm.


[7]
Diezelfde intensiviteit was overigens aanleiding voor een half jaar durend "dipje" in de omgang, uitgerekend in 2001, het allereerste jaar van het bestaan van AENIGMA.

AENIGMA books & prints was de nieuwe onderneming waarin ik mij (nog steeds in dienst bij dezelfde Broodheer, ik zeg het er maar even bij) vanuit het hart van het Amsterdamse Spiegelkwartier kon toeleggen op andere delen van de markt.

Als klant en onbezoldigd PR-man was Boudewijn Büch hierin een grote rol toebedeeld.

Het zou allemaal heel anders lopen.

Voor Boudewijn in 2002, voor de zaak zo'n vijf jaar later, maar mocht het u interesseren: ik heb het allemaal overleefd.

Zo, nu is het wel weer even genoeg, bij een volgende gelegenheid weer nieuwe verhaaltjes.

 

 

terug naar DEEL 1 en 2

 

terug naar huis contact!