| ||
|
Op 14 DECEMBER 2023 is het precies 100 jaar geleden dat GERARD REVE, een van Neêrlands grootste schrijvers, geboren werd. Op dezelfde datum herdenken wij het feit dat de wereld op de kop af 75 jaar eerder werd opgeschrikt door de komst van het fenomeen BOUDEWIJN BÜCH, kortom: een datum om bij stil te staan. Regelmatige bezoekers van deze website weten dat ik met beide schrijvers in contact heb mogen staan, met beide schrijvers zaken heb kunnen doen; altijd naar genoegen, niet altijd zonder gevolgen. Lange tijd liepen werk en persoon van Büch en Reve als twee rode draden door mijn werkzame leven, iets waar ik al eens eerder verslag van deed: |
||
![]() | ||
|
Op 14 december 2003 (Hoera! Nóg een jubileum!) verscheen mijn boekje GEKKE JONGEN, WIJZE MAN, over Boudewijn Büch en Gerard Reve, over Gerard Reve en Boudewijn Büch.
Mocht u het boekje gemist hebben: u kunt de complete tekst (de 4 knoeperts van fouten inmiddels hersteld) hier in PDF-formaat terugvinden. Met persoonlijke observaties heb ik de lezers destijds niet te veel lastiggevallen; hoog tijd om dat eens te gaan doen. Verwacht u dit keer geen samenhangend verhaal, we gaan voor de fragmenten, voor de anecdotes en zo mogelijk voor het amusement. Maar voordat ik losbrand wil ik u laten weten dat ik het volgende, niet officieel gepubliceerd advies van de Volksschrijver, opgediept uit eigen archief, ter harte heb genomen: Het verhaal moet echter zeer rustig en feitelijk, en absoluut niet grappig of origineel beginnen. Wel, eventueel, met een sombere verzekering dat het opbiechten van het verhaal mij zoveel moeite kost: dat brengt bij de lezer een stemming teweeg van welwillende, en toch niet overspannen verwachting. Niet teveel me afvragen of het opschrijven ‘wel zin heeft’ want niets ‘heeft zin’, om eerlijk te zijn. Eric Schneyderberg - december 2023 --------------------------- | ||
![]() | ||
|
Wij keren terug naar 22 November 1989, datum postmerk van de eerste brief die ik van Gerard Reve mocht ontvangen, en steken opnieuw van wal:
Geachte heer Schneyderberg, Uit het artikel “De Slegte koopt verzameling van 3000 bibliofiele uitgaven” in het Handelsblad van 14 November jongstleden vernam ik, dat zich in die verzameling ook uitgaven van mijn werk zouden bevinden. Ik zoude het zeer op prijs stellen indien U mij een opgave van die bibliofiele publicaties zoudet willen verstrekken […]. De reden is, dat mijn archief nog hiaten kent. In de loop der jaren ben ik titels kwijtgeraakt, en ik streef naar volledigheid. Bovenstaande, perfect geformuleerde volzinnen uit de pen van Gerard Reve geven de situatie weer waarin ik mij November 1989 bevond: de aankondiging van de aankoop van een grote partij modern bibliofiel drukwerk had volop aandacht getrokken van pers [1], publiek, vakgenoten en schrijvend Nederland. Na zo'n twaalf jaar veldwerk in het Haagse filiaal van de hier door de Volksschrijver aangeschreven Volksboekhandel, onderbroken door een blauwe maar leerzame maandag in Antwerpen, was mij kort daarvoor de dagelijkse leiding van het antiquariaat in de Amsterdamse Kalverstraat aangeboden. Omdat ik mij had voorgenomen dit ingedutte instituut wat nieuw leven in te blazen kwam deze collectie precies op het juiste moment op mijn pad [2]. | ||
![]() | ||
|
Verreweg de meeste aandacht voor deze door de Amsterdams/Amerikaanse boekbinder David Simaleavich bijeengebrachte verzameling [3] ging uit naar de exclusieve edities van bekende Nederlandse schrijvers als Willem Frederik Hermans, Hugo Claus, Cees Nooteboom, Jeroen Brouwers, Gerrit Komrij, Boudewijn Büch en Gerard Reve.
De aanwezigheid van zogenaamde roofdrukken in een collectie als deze was onvermijdelijk; iets dat Gerard Reve, die zoals bekend tegen dit fenomeen altijd fel van leer [4] trok, ook moet hebben aangevoeld. Ik besloot de uitdaging aan te gaan en open kaart te spelen, aan de ene kant uit nieuwsgierigheid naar Reves reactie, aan de andere kant in de overtuiging dat de Volksschrijver in zijn strijd tegen deze schijtlollige piraterij volledig in zijn recht stond. Dit was de reactie die ik van hem per brief, gedateerd 30 November 1989, ontving: Veel dank voor Uw brief van 28 November jongstleden, waaruit ik helaas moet vernemen dat er inmiddels reeds vele bibliofiele uitgaven van de door U verworven collectie zijn omgezet [...]. Het stelde mij ten zeerste gerust, te vernemen dat U het verhandelen van piraten-edities onvoorwaardelijk afwijst en veroordeelt, en mij de in Uw collectie aangetroffen roofdrukken aanbiedt. Omdat ik in verband met de filmpremière (De Avonden) ook mijn uitgever bezoek, moge ik U verzoeken Uw zending te willen adresseren naar [...]. Menigeen die ooit voor de taak heeft gestaan een brief van Gerard Reve te moeten beantwoorden zal het herkennen: die onbedwingbare neiging tot geforceerd taalgebruik, maar een onvoorwaardelijke veroordeling was in die wollige woordenbrei van mij niet terug te vinden en van een rechtstreeks aanbod was ook niet echt sprake. Maar Gerard Reve had gesproken en zijn wil zou geschieden: ik zond hem een stapel zeer gevarieerd studentikoos drukwerk, een gebaar dat zich door de jaren heen ruimschoots terugbetaalde en mij een hoop gelazer heeft bespaard. | ||
![]() | ||
|
Een kort daarop ontvangen zoeklijst was aanleiding voor verdere correspondentie; niet zomaar een zoeklijst, natuurlijk, maar een met duiding:
[…] Van Collem is A. van Collem, ongeveer een tijdgenoot van Gorter. Ik kan mij hem vagelijk herinneren, want hij kwam wel bij ons thuis, toen ik nog heel klein was. Hij was een groot dichter, nu ten onrechte vrijwel vergeten. Afhandeling van opgespoorde werken ging meestal ook in Meesterlijke stijl, want: Ik ben zeer geïnteresseerd in de bundel van […]. Joop Schafthuizen, die vanmorgen voor enige tijd naar het Vaderland is afgereisd, zal zo spoedig mogelijk contact met U opnemen. Naar menselijke berekening moet hij, na een verblijf van één dag in de grote stad Parijs, Vrijdagnamiddag vóór Pinksteren wederom in Schiedam zijn aangekomen. U een gezegend Pinksterfeest wensend ben ik, met vriendelijke groet en hoogachting, Uw Gerard Reve Geef toe: het had korter gekund. Niet lang daarna konden de rollen worden omgedraaid en werd ik diverse keren in de gelegenheid gesteld - uiteraard onder regie van Joop Schafthuizen - om werk van de hand van de Volksschrijver aan te kopen en te verhandelen [5]. En geen flauwekul: met Joop was het altijd duidelijk, robuust en daardoor prima zaken doen. Punt. Hoogste tijd om de tweede hoofdrolspeler te introduceren: Boudewijn Maria Ignatius Büch! Boudewijn Büch, wiens werk in grote hoeveelheden in genoemde verzameling vertegenwoordigd was, bleek grote moeite met deze verkoop te hebben en was niet te beroerd zijn bezwaren in het openbaar te uiten: op 12 December 1989 verscheen in Het Parool een venijnig stukje van zijn hand met als kop OPRUIMING. Toen ik onlangs een stukje in NRC Handelsblad las over de verkoop van David Simaleavitch’ [sic] collectie werd ik kwaad en misselijk tegelijk [...]. Die hele moderne bibliofiele is tegenwoordig niet alleen windhandel, maar vooral ook louche geldmakerij, waar ik niets meer mee te maken wil hebben […]. Omdat ik Boudewijn Büch, toen al een gearriveerd schrijver en media-persoonlijkheid, nog nauwelijks kende heb ik hem er niet op durven aanspreken. Beetje rumour, gratis reclame, altijd goed, moet ik gedacht hebben. | ||
![]() | ||
|
Van 1 tot en met 3 maart 1990 werd een doorsnee van de collectie voor nieuwsgierig en koopgraag publiek gepresenteerd tijdens een beurs voor antiquaren in Amsterdam, waar ook de verkoopcatalogus 15 JAAR MODERNE BIBLIOFILIE werd gepresenteerd.
Deze catalogus bevatte een nogal verrassende bijdrage: een fraai gedicht getiteld MODERNE BIBLIOFILIE, speciaal voor de gelegenheid geschreven door (jawel!) Boudewijn Büch. De reden waarom hij zijn bezwaren opzij schoof en op mijn verzoek inging is mij niet bekend, maar goed, een zekere mate van paradoxaal gedrag was Büch niet vreemd. Hoort u mij klagen? De reacties uit het vak liepen uiteen van "Een fris geluid" (Boekblad) tot "Deze unieke en schitterende collectie had iets beters verdiend" (De Boekenwereld), ik vermoed dat ze allebei wel ergens gelijk hadden. Door Boudewijn gesigneerde exemplaren van de catalogus waren extra in trek en intussen had ik ook Gerard Reve gevraagd voor mij persoonlijk een exemplaar te signeren. Dat deed hij, en wel op de volgende curieuze manier: | ||
![]() | ||
|
Een sterk uitvergrote en fraai ingelijste fotocopie van dit geschrift heeft jarenlang in de Kalverstraat boven mijn bureau gehangen; het heeft op veel mensen grote indruk gemaakt. De onthulling van de achtergrond van deze mysterieuze opdracht zal uitlopen op een teleurstelling: Gerard Reve schreef simpelweg de titel over van het laatste item uit de catalogus, een plano gedrukt door Emile Puettmann, aartsvader der margedrukkers. Maar dat Niets aan te doen verzon hij er bij, dat dan weer wel. Veel later zou blijken dat er wel degelijk "iets aan te doen" was, al kostte dat wat tijd en moeite. Juist op het moment dat het rumour rond de verkoop [6] een beetje was weggeëbd verscheen op 13 oktober 1990 in Het Parool een paginagroot artikel van de hand van Boudewijn Büch met als kop HET MOET AFGELOPEN ZIJN! Wat Büch precies te vertellen had in dit nogal klagerige stuk was niet echt duidelijk, maar hij refereerde in ieder geval aan het eerder genoemde artikeltje OPRUIMING, waarvan de slotregels overigens luidden: Ik heb geen zin meer in die opgeblazen en louche wereld van het moderne boek. Daarom heb ik besloten om al mijn moderne bibliofilica weg te gooien. Gewoon weg te smijten! Een verschrikkelijk besluit dat mij echter werd opgedrongen door mensen met dollartekens in hun ogen. Dat weggooien, dat geloofde niemand natuurlijk, hijzelf nog het minst. Het resultaat van de daaropvolgende uitwisseling van plannen en ideeën tussen Boudewijn en mij is het beste weer te geven door middel van een tekst die hij mij een maand of tien later, op 20 augustus 1991, overhandigde ten behoeve van een boekwerkje dat ik inmiddels aan het samenstellen was. Waarom verkoopt een mens op 42-jarige leeftijd zijn ongepubliceerde (handgeschreven) jeugdwerk, al zijn later werk in alle mogelijke stadia (manuscripten, typoscripten, drukproeven et cetera en grootste gedeelte van zijn collectie moderne bibliofilie? Ofschoon men mij ongetwijfeld niet op mijn woord geloven zal, heeft geld niets met deze beslissing te maken. Het heeft juist met het omgekeerde te maken: de weerzin die ik langzamerhand heb ontwikkeld tegen de prijsopdrijverij van drukjes die vervaardigd zijn op kleine privé-persjes, tegen de pseudo-handel in moderne bibliofilia. Na het nodige verdere geklaag in de inmiddels bekende stijl volgden de afsluitende woorden: Van het geld dat deze verkoop op zal brengen koop ik ongetwijfeld een paar prachtige oude reisboeken [7]. De kasten leeg, het papier weer blank. Ik verheug me op de jaren van schrijverij die nog zullen komen. Of, met andere woorden, zoals weergegeven in de rubriek De Achterkant van Büch in de toenmalige De Krant op Zondag van 8 september 1991: Mijn literaire archief is nu weg en verkocht: in oktober zal antiquariaat de S. het aanbieden. Blij dat ik van al die literaire rotzooi af ben. Denk er nu zelfs over mijn Reveana te verpatsen. | ||
![]() | ||
|
Op 15 Oktober 1991 zou NRC Handelsblad het bericht over deze verrassende actie op een iets sjiekere manier naar buiten brengen en melding maken van het verschijnen van de catalogus DE LITERAIRE NALATENSCHAP VAN BOUDEWIJN BÜCH [8], met verwijzing naar het hierboven al deels geciteerde voorwoord.
Nu was het de beurt aan GERRIT KOMRIJ, wiens werken prominent en vaak met een persoonlijke opdracht aanwezig waren in Boudewijns collectie, om bezwaar aan te tekenen. Zijn eerste reactie was verbazingwekkend perfect getimed: de volgende dag (!) doken in dezelfde krant in zijn wekelijkse rubriek Een en Ander, deze keer gewijd aan het vraagstuk "Hoe raak ik mijn boeken kwijt?", de volgende regels op: Met het betere werk verblijdt men de antiquaren. Met het mindere werk verblijdt men neef en nicht. Met het verzamelde werk van Boudewijn Büch teistert men de vuilnisman. Over Komrijs timing en Komrijs vuilnisman later veel meer, als u niet wilt wachten kunt u hier alvast even poolshoogte nemen. Op 18 oktober 1991, in de wekelijkse rubriek RUMOER in de Volkskrant, werden Boudewijns acties relativerend tegen het licht gehouden en Komrijs commentaar nog even aangehaald (“Gerrit Komrij moest even trappen”), veel schoot de lezer er niet mee op. | ||
![]() | ||
|
Op zinvolle wijze verslag doen over dergelijke zaken is niet voor iedereen weggelegd: had NRC Handelsblad het nog over “bibliofiele drukjes”, dankzij het ANP berichtten kort daarna vrijwel alle regionale kranten (inclusief AD en Het Parool) over “bibliofiele drupjes” (met een P dus), deze term was ook diverse keren over de radio te horen. Tot op de dag van vandaag word ik erg vrolijk van deze onbedoelde bibliofiele incontinentie. Boudewijn inmiddels, wederom in De Krant Op Zondag, 20/10/1991: Ik hobbel inmiddels van affaire naar probleempje en van relletje naar ander gedoe […]. Las in NRC Handelsblad dat Gerrit K. ook al boos op mij is. Het wordt aardig stil op mijn Loo. Ga straks op bed in een goedkope detective liggen lezen.” Büch doelde hier onder meer op de heftige perikelen rond zijn vertrek bij uitgeverij De Arbeiderspers [9], iets dat gelukkig buiten de thematiek van deze verhaaltjes valt, het is allemaal al verwarrend genoeg. Door al dit strijdgewoel dreigt Gerard Reve wel heel erg op de achtergrond te geraken, dat is niet de bedoeling, daarom volgt hier een kort verslag van een wonderlijke ontmoeting die rond die tijd had plaatsgevonden. | ||
![]() | ||
|
Zaterdag 5 Oktober 1991 rond 18.00 uur, op weg naar huis, zag ik in het wachtlokaal van NS-station Hilversum twee mannen zitten waarvan er een niet alleen erg op Gerard Reve leek maar dat uiteindelijk ook bleek te zijn. Als reactie op mijn begroeting en overhandiging van mijn kanariegele visitekaartje slaakte de Volksschrijver de kreet AHA! om vervolgens op te staan, zijn hoed af te nemen, mij de hand te reiken en Gezondheid en Goede reis toe te wensen, waarna ik in licht verwonderde toestand verder huiswaarts ging. Daar aangekomen opende ik het kleine pakketje dat in de loop van de dag bij mij was afgeleverd en dat ik al die tijd onder de arm had meegedragen: mijn eigen exemplaar van De Avonden, enkele maanden eerder door Gerard Reve van opdracht voorzien en teruggezonden, in de tussentijd fraai herbonden in halfperkament door David Simaleavich. Achteraf begreep ik dat de Volksschrijver deze dag het eerste deel van de opnames van Gerard Reve Leest De Avonden achter de rug had, een marathon-uitzending die een maand later te beluisteren was via de VPRO radio. Een bizarre ontmoeting, in alle opzichten, en wat dat AHA! precies inhield ben ik mij altijd blijven afvragen. Voor wie het echt wil weten: in dat pakketje zaten ook een in halfperkament gebonden exemplaar van Boudewijns verzenbundel Nohant en een herbonden werkje van Gerrit Komrij. Dat laatste boek zonder opdracht, die kwamen pas later binnen en ik heb ze allemaal nog, want een boek met opdracht van Gerrit wegdoen: daar komen ongelukken van. | ||
![]() | ||
|
Van 1 tot en met 3 November 1991 werd in een Haarlemse sporthal een antiquarenbeurs gehouden, dezelfde locatie overigens waar exact 6 jaar eerder door Kunstzaal en Antiquariaat Joop Schafthuizen de brieven van Boudewijn Büch aan Gerard Reve van de hand werden gedaan. Hier vond de presentatie plaats van Boudewijns collectie en werd de catalogus op grotere schaal verspreid. Van dit hectisch gebeuren herinner ik me nog vier dingen: A. Hoe Boudewijn Büch omringd door zes vitrines vol met eigen fabricaat wat catalogi zat te signeren, even kort een journalist van de lokale krant te woord stond en daarna de benen nam. B. Hoe de mannen van het NOS journaal de gereedstaande camera’s weer inpakten omdat de verslaggeefster met spoed naar een nóg belangrijker evenement werd geroepen. C. Hoe ik Gerrit Komrij op veilige afstand zag rondscharrelen, mij en Boudewijns voormalige spulletjes compleet negerend. D. Hoe blij ik was dat ik aan het einde van de laatste dag de boel weer kon inladen en naar huis kon, de buik vol van al dat bibliofiele gedonder. Wist ik veel dat het echte gedonder nog moest komen... Moedig Voorwaarts! zou Gerard Reve gezegd hebben, na de noten kunnen we door naar deel 2 ................................... NOTEN [1] De hoeveelheid publiciteit rond deze aankoop was verbazend groot: NRC Handelsblad bracht het letterlijk als voorpaginanieuws, de andere grote kranten volgden in iets bescheidener mate. Zoveel aandacht voor iets dat met “het boek”of “de literatuur” te maken heeft is heden ten dage niet meer voor te stellen. De hoogte van de aankoopprijs van 200.000 gulden zou een rol gespeeld kunnen hebben, al waren dergelijke bedragen niet ongebruikelijk op het gebied van het antiquarische boek. [2] Wonderlijk genoeg wordt in het boek De Geschiedenis van de Nederlandse Bibliofilie van P.J. Buijnsters (Nijmegen, van Tilt, 2010) de suggestie gewekt dat deze collectie door mijn voorganger zou zijn aangekocht om mij “in het zadel te helpen”. Ach, was dat maar waar geweest, ik heb mijn nek ver moeten uitsteken en het had niet veel gescheeld of deze eerste grote aankoop was gelijk mijn laatste geweest… [3] De in de collectie vertegenwoordigde private presses waren onder meer Sub Signo Libelli, Regulierenpers, In de Bonnefant, AMO, Hein Elferink, Avalon Pers, Ser J.L. Prop, Exponent, Slofpers en de Literaire Loodgieters. Bovendien had Simaleavich bindwerk verricht ten behoeve van diverse luxe edities van grotere uitgeverijen als de Arbeiderspers en de Bezige Bij. Naast de al genoemde schrijvers was er ook werk aanwezig van meer klassieke auteurs als Louis Couperus en J.H. Leopold en van bekende of minder bekende buitenlandse auteurs als Arthur Rimbaud, K.P. Kavafis en James Purdy. | ||
![]() | ||
|
Niet zelden waren deze edities voorzien van fraaie originele grafiek van bekende of minder bekende kunstenaars.
Het feit dat de binder meer dan eens zijn eigen exemplaren extra luxe uitvoerde en/of door de auteur of illustrator van opdrachten liet voorzien maakte de collectie extra aantrekkelijk. Reves opmerking Ik streef naar volledigheid was hier zeker ook van toepassing. [4] Dat het Reve menens was bleek bijvoorbeeld uit de strafzaak die hij in 1984 aanspande tegen André Swertz (de aardigste antiquaar van Nederland) wegens het in de verkoop brengen van een roofdruk. In 2011, na de dood van Reve, spande Joop Schafthuizen een kort geding aan tegen de Openbare Bibliotheek Amsterdam, dit naar aanleiding van een aangekondigde tentoonstelling van diverse ongeauthoriseerde werken. Beide zaken werden in het voordeel van de eisers beslist, maar al eerder werden enkele zaken geschikt voordat deze voor kwamen. [5] DIENSTMEDEDELING: Het herhaaldelijk gebruik van de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden “ik” "mij" en “mijn” is natuurlijk niet altijd op zijn plaats: ik handelde niet op persoonlijke titel maar in naam van een bedrijf. Hoe verantwoordelijk ik ook met de spulletjes dacht om te gaan, ze waren niet mijn eigendom en de kosten/opbrengsten kwamen uiteraard ten bate/ten goede van de firma. Mooi weer spelen met andermans centen? Tja, het is me wel vaker verweten. Had ik nog andere dingen te doen en te regelen? Jawel, meer dan genoeg, maar dit lijkt me niet de plek om daarop in te gaan. [6] David Simaleavich had zich inmiddels verklaard d.m.v een interview in Boek en Band, het vakblad voor boekbinders (december 1989). In 1991 zou hij nog een subtiele schimpscheut geven in de vorm van de uitgave Bridges to Burn, Crosses to Bear, een op cassetteband ingesproken tekst, door hemzelf uitgegeven onder het aegis Dirty Trix. In het bijgeleverde boekwerkje wordt Boudewijn Büch bedankt voor zijn “warmth and understanding". [7] In een eerdere versie die ik onder ogen kreeg stond: een paar prachtige oude reisboeken van auteurs die een stuk méér geleefd hebben en beter schreven dan ik. Ieder ander zou hier "da's niet zo moeilijk" aan toegevoegd hebben, maar ik doe dat niet. [8] Voor de goede orde: Boudewijn had geen enkele bemoeienis met deze catalogus, niet met de inhoud, niet met de vormgeving, niet met de (ironisch bedoelde) titel. Je zoekt het maar uit, ik ben d'r van af, zei hij. Dat het hem niet om geld ging is iets dat ik hier nogmaals kan beamen. Men dient zich wel te realiseren dat het op dat moment nog maar de vraag was of "de markt" een dergelijke hoeveelheid materiaal van één auteur aan zou kunnen; dat risico was ingecalculeerd. [9] Het Parool publiceerde in september 1991 een paginagroot artikel van Büchs hand waarin hij voormalig AP-directeur Theo Sontrop met de grond gelijk maakte. Als gevolg hiervan verkocht Sontrop de boeken die hij door de jaren heen, voorzien van opdrachten, van Boudewijn had ontvangen. Het feit dat ook Gerrit Komrij in het openbaar werd verdacht van het op transport zetten van werken van Boudewijn Büch maakte de chaos voor het literaire journaille compleet, de diverse berichten en columns zijn nog steeds een feest om te lezen. |
||
![]() | ||
|