MORGEN HETEN WE ALLEMAAL ARIE, deel 2

vrolijke beschouwingen over de biografie

terug naar deel 1 / door naar deel 3 - 4

(of bekijk de
gehele soap in PDF)


www.aeric.nl

 

 

Gij weet waarom het is, ik niet.
Die Biografie van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

(vrij naar Gerard Reve)

 

 

In dit tweede deel van deze Vrolijke Beschouwingen geef ik opnieuw het woord aan de heer Arie Pos, de in 2014 aangestelde biograaf van Gerrit Komrij.

Ik citeer enkele regels uit Bou en Ger, een mooie vriendschap die verzuurde, zijn nawoord bij de in 2022 verschenen separate herdruk van Komrijs PRAATJES, oorspronkelijk verschenen in de bundel Demonen (2003).

Hoewel dit zaken zijn die mij in principe niet aangaan, lever ik kort commentaar.

Wees gerust, ik neem nog niet alles op de korrel, het volgende lijkt me voorlopig wel even voldoende:

Op 25 augustus 1975 had Büch Komrij een brief geschreven op zijn eigen briefpapier, waarop hij zich in het briefhoofd onder meer afficheerde als dubbel doctorandus en 'psychofarmacohistoricus'.

Onjuist, dit briefpapier werd niet gebruikt, er is op dit blad geen academische titel te bekennen, laat staan twee [1].

Büchs [...] brief werd opvallend genoeg verstuurd in de tijd waarin Harry G.M. Prick de kopij van Büch debuutbundel met zijn aanbeveling ter hand stelde aan uitgever Theo Sontrop van De Arbeiderspers.

Wazige opmerking, de bundel was een dag of tien eerder al officieus door de uitgeverij aanvaard [2], daar zou Komrij geen enkele invloed op gehad kunnen hebben.

Prick […] had Boudewijn geholpen met het componeren en redigeren van de bundel die Nogal Droevige Liedjes voor de Kleine Gijs zou gaan heten.

Inderdaad: Harry G.M. Prick.

Komrij nam ook de redactie van de bundel op zich, die in maart 1976 verscheen, met het schilderij 'Bettelbuben beim Würfelspiel' van Murillo op het omslag.

Dat is een en dezelfde bundel, het was Prick dus die daar de handen vol aan heeft gehad [2], niet Komrij, wat Pos hier beweert zou met het oog op de chronologie niet eens mogelijk zijn geweest.

In zijn exemplaar van de bundel bewaarde Komrij een ansichtkaart van Murillo’s schilderij uit de Alte Pinakothek in München, wat kan doen vermoeden dat hij […] de suggestie voor de omslagillustratie leverde.

Wat zal ik hier van zeggen? Zo lust ik er nog wel een paar?

Onjuist dus, Büch had al eerder [2] melding gemaakt van zijn in 1974 te München opgewekte fascinatie voor dit werk.

Het is opmerkelijk, om niet te zeggen hoogst opmerkelijk, hoe vaak Pos Komrij de credits probeert te geven voor dingen die hij niet gedaan heeft.

Verder dan het corrigeren van de drukproeven voor Büchs eerste publicatie in Maatstaf, november 1975, kwam het voorlopig niet.

Bou en Ger, zoals ze elkaar onderling zouden gaan noemen, ontmoetten elkaar voor het eerst in levenden lijve in februari 1976, toen een delegatie van de Maatstaf-redactie […] op uitnodiging van Büch een bezoek bracht aan diens studentenkamer te Leiden.

Voorlopige conclusie: Die jongen deugt niet.

De bron van deze informatie is Komrij zelf (Praatjes!), maar de details worden hier gebracht als veronderstelde werkelijkheid, en het bewuste citaat wordt vervolgens - op een wel heel bijzondere manier - herkauwd.

Dat is allemaal leuk om te lezen maar niet ongevaarlijk.

Want wie was het ook alweer die meerdere voor hem herkenbare delen van Komrijs in Praatjes verwerkte herinneringen omschreef als "nogal malicieus"?

Wie was het ook alweer die sprak van "de bewust kleinerende minimalisering van Boudewijns kennis" en het vermoeden uitte dat er iets was dat Komrij "wonderlijke parten moet hebben gespeeld"?

Kortom: wie had het lef om te openbaren dat Komrij als het om Boudewijn Büch ging graag een beetje kwaadaardig uit zijn nek kletste?

Inderdaad, de door Pos zelf al eerder opgevoerde Dr. Harry G.M. Prick, ooit zeer goed bevriend met zowel Komrij als Büch, dus als iemand het had kunnen weten dan was hij het wel [2].

Een kleine, subtiele opmerking over een mogelijk gebrek aan waarheidsgetrouwheid in Komrijs Praatjes zou de biograaf gesierd hebben, maar nee, in zijn introductie omschrijft Pos deze "afrekening" toch maar liever zo:

Praatjes is een persoonlijke terugblik op een voorbije maar warme vriendschap en een soort eindbalans, waarin spijt doorklinkt.

Harry Prick had overigens veel meer en veel betere redenen om Boudewijn een kopje kleiner te maken en dat gebeurde dan ook [2], volkomen terecht.

Maar Prick deed dat op een manier die een heel stuk geloofwaardiger en stijlvoller was dan de methode van dramaqueen Gerrit.

Let wel: ik heb op vele momenten met Komrij - en ook met Prick trouwens - van gedachten gewisseld over Boudewijn; u mag van mij aannemen dat ik weet waar ik het over heb.

En met Büch over Komrij?

Jazeker, en ik heb Boudewijn nooit een kwaad woord over Komrij horen zeggen, zelfs niet na Gerrits openbare oorlogsverklaring in NRC-Handelsblad.

Ik merk dat ik aan het afdrijven ben, de biograaf wordt wellicht wat ongeduldig, we gaan snel door met zijn tekst.

De periode tussen het hierboven beschreven memorabele moment en het daaropvolgende hoogtepunt - toch gauw een kleine DRIE JAAR - wordt subtiel aangepakt:

Ze zullen elkaar ongetwijfeld in de tussentijd wel eens hier en daar zijn tegengekomen.

Eh, nee, echt van de grond komen doet het verhaal nog niet.

Maar - eerlijk is eerlijk - hierna wordt het even spannend, want:

In Komrij's poëziekast staan de drie eerste bundels van Büch, alle drie voorzien van een met Boudewijnblauwe vulpen geschreven opdracht aan de twee gastheren en voorzien van dezelfde datering: 27 december 1978.
Dat hij met zijn tot dan volledige poëtisch oeuvre in boekvorm naar Amsterdam was gekomen, lijkt me voldoende reden te veronderstellen dat het zijn eerste bezoek was [...].


Zou dit misschien iets zijn waar we wat aan zouden kunnen hebben?

Jawel, ik geloof werkelijk dat het waar is, dit gaf voor mij de doorslag:

[...] en 27 december lijkt me een uitstekende dineeravond.

Maar vervolgens ANDERHALVE pagina besteden aan deze “vondst” door deze opdrachten allemaal in de volle omvang weer te geven?

Deze ruimte had Pos beter kunnen besteden aan een vergelijking tussen de “kwaliteit” van de boeken die over en weer gingen en de lengte en de “vriendschappelijkheid” van de daarin geschreven opdrachten.

Tot nu toe zijn er veertien werken bekend (maar het zijn er ongetwijfeld meer) met lange en/of hartelijke opdrachten van Boudewijn Büch aan Gerrit Komrij, zes daarvan in handelseditie en acht “bibliofiel".

Andersom staat de teller slechts op totaal vijf, waarvan twee “bibliofiel”, en de meeste daarvan vertonen een opvallend sobere inscriptie.

De langste opdracht die Komrij ooit voor Büch heeft uitgeschreven [3] is deze, in zijn Schip de Wanhoop uit 1979; een luxe exemplaar, dat dan weer wel:

Voor Boudewijn / In plaats van brieven.

Had Pos dat allemaal moeten weten? Nee, maar dan weet hij het nu.

En dan weet hij nu ook hoe betrouwbaar (pas op: bruggetje!) sommige van zijn bronnen zijn [4].

Met betrekking tot de correspondentie doet Pos de volgende mededeling:

De vriendschap tussen Ger en Bou bleef naar het zich laat aanzien tot december 1978 epistolair eenrichtingsverkeer van Leiden naar Amsterdam – Komrij kon zich extreem moeilijk zetten tot het schrijven van persoonijke brieven en van zijn kant is alleen zijn eerste antwoordbrief bekend.

Tja, dat is wel een heel omslachtige manier om te vertellen dat Gerrit na die ene brief geen zin meer had om terug te schrijven, en na december 1978 nog steeds niet trouwens.

We bladeren nog even door, de enigszins onevenwichtige beschrijving van de overige kapriolen - letterkundig, bibliofiel en/of anderszins - die het tweetal in de loop der tijd heeft uitgehaald laat ik verder maar ongemoeid.

Een mens moet nu eenmaal keuzes maken, daar weet deze biograaf alles van; hij is wonderlijk selectief in zijn berichtgeving.

Hoe zou het toch komen dat ik tijdens het lezen van dit bijzondere nawoord zo vaak aan een hak, een tak, een klok en een klepel heb moeten denken?

Over Büchs nogal spectaculaire laatste brief aan Gerrit Komrij en zijn partner Charles Hofman, kort na 21 december 1982 verzonden, meldt Pos:

Het was lang het laatste wat ze van hem hoorden.

Was het werkelijk zo lang het laatste wat ze van hem hoorden?

Nee, natuurlijk niet.

Boudewijn bezocht even zo vrolijk nog Komrijs daaropvolgende twee verjaardagsfeestjes, waaronder diens 40e op 30 maart 1984.

Was ik daar bij dan? Nee, ik niet, maar een paar dozijn andere personen wel [2].

De “glorietijd” van de vriendschap tussen "Bou en Ger" heeft dus minstens 15 maanden langer geduurd dan Pos ons wil doen geloven.

Maar ik geef toe: zo’n spetterende afscheidsbrief spreekt meer tot de verbeelding dan een natte zoen op een fuifje.

15 jaar lang zag ik hem niet, aldus Komrij in Praatjes.

Ja, het is me wat, maar hoe zit het dan met die publicaties van hem waarin gerefereerd wordt aan de lol die hij had tijdens die ontmoetingen met Boudewijn, ergens in de tweede helft van de jaren 80?

Heeft Gerrit dat dan uit de duim gezogen, net als tal van andere dingen in deze liefdesverklaring (letterlijk citaat, kom ik nog op terug) aan die jongen?

Ik heb het idee dat deze biograaf wat dit betreft nog wat werk te verrichten heeft.

Is dit allemaal nou echt voor iedereen zo belangrijk?

Nee, maar als je er zo nodig over moet schrijven, zorg dan dat je weet waar je het over hebt.

Gelukkig rondt Pos halverwege zijn nawoord de boel voorlopig af:

De vriendschap met Gerrit en Charles was weggezakt in een winterslaap.

En dat had hij heel goed gezien: Komrij en Hofman woonden inmiddels op zo'n 2000 kilometer afstand en voor Büch hoefde het allemaal niet meer zo nodig.

Desalniettemin weet Pos de lezer nog vele pagina's lang in de ban te houden met een volstrekt nodelooos lange beschrijving van Komrijs frustraties naar aanleiding van een akkefietje dat in de periode 1991/92 plaatsvond.

Een onbedoeld maar zeer verhelderend kijkje in de gedachtenwereld van zowel Komrij als zijn biograaf.

In verband met de "glansrol" die mij in dit langdurig treurspel was toebedeeld, bracht ik hiervan al eerder verslag uit, en voor het geval het nog niet helemaal duidelijk mocht zijn:

Het is de slordigheid voorbij, er wordt hier en daar aantoonbaar gemanipuleerd en op bepaalde momenten zelfs glashard gelogen, in een van de volgende delen kom ik hier verder op terug.

Tja, de mooie vriendschap die verzuurde liet zich moeilijk beschrijven, zoveel is duidelijk, zou dat iets te maken hebben met de stuitende gemakzucht die de biograaf hier aan de dag heeft gelegd?

Had de man wellicht andere redenen?

Ik zal die hele lange, hele merkwaardige "verantwoording" die ik na enig aandringen per e-mail van hem toegezonden kreeg er nog eens op naslaan, misschien heb ik toch iets over het hoofd gezien.

Een ding is zeker: de heer Arie Pos probeert de lezer - koste wat het kost - ergens van te overtuigen.

In een volgend deel neem ik het tot nu toe geleden Biografenleed nog eens met u door, dat wordt een treurig verhaal.

Eric Schneyderberg - november 2024 (laatst herzien januari 2026)

-----------

[1] Zie afbeelding in: Komrij 60, verkoopcatalogus collectie Komrij (Leiden 2004).

[2] Zie: Harry G.M. Prick. Een Andere Boudewijn, Terugblik op een Vriendschap (Amsterdam 2005).

[3] Nee, dat beroemde handgeschreven kwatrijn in Komrijs De Bibliofiel (1980) telt niet mee, dat komt voor in elk van de 9 luxe, in slangenleer gebonden exemplaren.

[4] Zie: Eva Rovers. Boud, het Verzameld Leven van Boudewijn Büch (Amsterdam 2016).

 

 

door naar DEEL 3 - 4 / terug naar DEEL 1

 

terug naar huis contact!