| ||
|
|
||
![]() | ||
|
Ik wil die Jopie Breemer nog steeds graag. Is het een bezwaar voor je het boek nog even te laten liggen tot ik het kom ophalen? Het is zo’n kwetsbaar geval voor de post. De herdruk van De Ontboezemingsbundel is veertien dagen geleden verschenen. ’t Ziet er mooi uit. Met hartelijke groet, je Gerrit Komrij Dit zijn de laatste regels van een vanuit Portugal verzonden bericht dat op 7 oktober 1998 uit mijn faxmachine rolde [1]. Jawel: volgens de overlevering vond Gerrit Komrij zijn eerste exemplaar van De Ontboezemingsbundel van Jopie Breemer eind jaren 70 op een vliering in het rustieke, serene Laren [2], zo’n twintg jaar later lag er in de hectische Amsterdamse Kalverstraat een tweede exemplaar voor hem klaar. Komrijs fascinatie voor leven en werk van deze obscure dichter/kunstenaar/bohemien is algemeen bekend; het in 1979 gepubliceerde essay Een Ode Aan Jopie - ook opgenomen in de fraaie herdruk waar hij in zijn faxbericht aan refereert - heeft deze intrigerende persoonijkheid voorgoed aan de vergetelheid ontrukt, zoals dat heet. Gerrit zag een origineel exemplaar van dit in 1913 verschenen boekje vermeld staan in een catalogus die ik hem in februari 1998 had gestuurd, en hij legde er gelijk beslag op; gelegenheid om het op te halen was er nog niet geweest. De titel van deze catalogus was Peper & Zout: een referentie aan het daarin opgenomen bundeltje verzen van Komrijs hand uit 1980, waarvan de originele kopij via de drukker/uitgever in mijn bezit was gekomen. Maar de catalogus had net zo goed Sing Sing kunnen heten, want ook van dit in kleine oplage uitgegeven Komrij-drukje had ik inmiddels de typoscripten en aanverwante zaken in handen. Of Een Beker Dichterbloed, naar een van Komrijs begeleidende aantekeningen, met als ondertitel het hieraan toegevoegde Ik hoop dat het smaakt. Uit beleefdheid, maar min of meer ook uit lijfsbehoud, bracht ik Komrij doorgaans op de hoogte van de aan- en verkoop van grotere stukken van zijn hand [3], want Gerrit kon wel eens narrig uit de hoek komen als er dingen gebeurden die hem niet bevielen. Bij een van deze gelegenheden sprak hij onverwacht de woorden: Maar dat kan ik zelf toch veel beter?. Et voilà: in no-time kon ik vriend en vijand plezieren dan wel ergeren met een enorme hoeveelheid exquise handgeschreven Komrij-materiaal uit de jaren 60 en 70, waarvan een niet onaanzienlijk deel rechtstreeks de weg naar de liefhebber vond en overige zaken in de in voorbereiding zijnde catalogus Peper & Zout konden worden opgenomen. Natuurlijk moest ik op dat moment denken aan de manier waarop Komrij in 1991 tekeerging tegen bepaalde schrijvers die op soortgelijke wijze hun schrijfsels aan de man brachten: Plotseling denkt iedereen op een goudmijn te zitten, zo schamperde hij. Of, in een meer specifiek geval, pas op, daar komt-ie: Boudewijn Büch is er een voorbeeld van hoe men nog tijdens zijn leven de uitverkoop van zichzelf behendig orkestreert. Ik heb mij er samen met Boudewijn nog een hele tijd vrolijk over gemaakt. |
||
![]() | ||
|
Het absolute hoogtepunt van deze omvangrijke collectie was - zoals Gerrit mij verzekerde - het originele handschrift van zijn vermaarde toneelstuk Het Chemisch Huwelijk. Op 25 februari verscheen in dagblad Trouw een artikel over een op handen zijnde antiquarenbeurs, waarin ook aandacht werd besteed aan enkele van de in mijn catalogus opgenomen spulletjes. De auteur van het stuk, een zekere Onno Blom, had in eerste instantie weinig oog voor de geschriften van Komrij, maar citeerde uiteindelijk toch braaf mijn observatie dat de tekst van Het Chemisch Huwelijk schijnbaar moeiteloos en in één keer leek te zijn opgeschreven en daardoor bijna smetteloos op papier stond [4]. Hoewel Blom de werken van zijn toekomstige held zo goed als links liet liggen, bleek hij bij nader inzien toch hevig geïnteresseerd in een ander item uit mijn Komrij-catalogus. O ja? Jopie Breemer misschien? Nee, Max de Jong, ook al zo'n eigenheimer. |
||
![]() | ||
|
Of laat ik het anders zeggen: Blom veinsde de interesse in een zeldzame publicatie van Max de Jong, zoals mag blijken uit een stuk van zijn hand dat niet lang daarna gepubliceerd werd in het literaire tijdschrift Optima [5].
Wonderlijk genoeg wist ik tot voor kort niet van het bestaan van dat malle artikel: ik werd er een paar maanden geleden op attent gemaakt n.a.v. het feit dat het eind vorig jaar was opgenomen in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. Met de uitdrukkelijke aantekening dat de door deze lolbroekerij opgewekte irritatie nog betrekkelijk vers is, citeer ik enkele fragmenten: Hevige nieuwsgierigheid maakte zich van mij meester toen ik een paar jaar geleden voor het eerst hoorde van het bestaan van het dagboek van Max de Jong (1917-1951). Er zou een roofdruk in eenenvijftig exemplaren in omloop zijn van het dagboek van de jonggestorven dichter van Heet van de naald (1947). Slechts zelden viel er antiquarisch een exemplaar van het dagboek op de kop te tikken. Pas een aantal weken geleden lachte het geluk mij ineens toe. Op de aanbieding voor de grote jaarlijkse antiquarenbeurs in de Amsterdamse RAI trof ik Eric Schneyderberg, hoofd van de afdeling bijzondere drukken van De Slegte in Amsterdam. Hij vertelde me dat hij zelfs twee (?!) dagboeken van Max de Jong op de plank had liggen en dat ik daarvoor langs mocht komen. Jazeker, ik heb Blom bij deze gelegenheid [6] kort gesproken over Komrijs handschriften en hem een exemplaar van de catalogus overhandigd, maar over dat dagboek is met geen woord gerept. De volgende dag belde ik Schneyderberg, maar trof hem niet aan op zijn kantoor. Mijn kantoor?! Ach ja, natuurlijk, het kantoor van het Hoofd van de Afdeling Bijzondere Drukken, hoe kon ik het vergeten... Een paar dagen later pakte ik opnieuw de praathoorn, en vroeg doorverbonden te worden. Een plat Amsterdamse, verveelde stem meldde zich. Ik vroeg of de heer Schneyderberg wellicht te spreken was. ‘Néé, die isser niet.’ Wanneer de heer Schneyderberg dan misschien te bereiken was, er zat namelijk een ietsie pietsie haast achter. ‘Bellu vrijdag maar terug, dan issie weer trug van vekansie.’ U begrijpt inmiddels al wat de biograaf in spe die vrijdag met mij van plan was: ik wasser niet want ik zat voor een week - wat zeg ik? - ik zat voor zelfs twee weken in het buitenland (as if...!). Ik houd het hier even bij, de rest van de poep die hier gepraat wordt vindt u terug op de website van de DBNL. Het mag duidelijk zijn dat Blom zich na publicatie van zijn feestartikel (dat eindigde met de kreet Wat een dagboek! Morgen begint mijn zoektocht naar een eigen exemplaar) niet meer bij mij heeft gemeld. Jaren later zou Onno Blom furore maken als de Guitige Akela van de Komrij-horde [7]. In deze hoedanigheid wierp hij zich onder meer op als schrijver en bezorger van Het Fabeldier dat Komrij heet, de geïllustreerde monografie die werd uitgegeven ter gelegenheid van Komrijs 60e verjaardag [8]. Over de door Komrij georganiseerde Gigantische Zolderopruiming die rond dezelfde tijd plaatsvond, had de drifige scribent op 2 maart 2004 in dagblad Trouw het volgende te melden: Het is de allereerste keer dat Komrij zelf materiaal uit zijn archief ter verkoop aanbiedt. Uiteindelijk werd Onno Blom een heuse biograaf. En daarvan wilde hij leven! Maar wat is nu eigenlijk de rol van Drs P. in dit verhaal? Welnu, het prachtexemplaar van Jopie Breemers Ontboezemingsbundel dat in Komrijs handen overging, maakte ooit deel uit van een van de meest wonderlijke en eclectische deelbibliotheken die ik ooit heb mogen aankopen: die van Drs Heinz Polzer. Eric Schneyderberg - augustus 2026 -------------------- |
||
![]() | ||
|
De noten! [1] Zoals wellicht bekend is kletterde Komrij in 1991 met veel verbaal geweld mijn professionele leventje binnen, en was hij daar het daaropvolgende dozijn jaren niet meer uit weg te branden. In de roerige geschiedenis van onze omgang zijn diverse pieken en dalen te bespeuren, maar op dat moment waren de contacten zeer goed. [2] Ik woonde op dat moment nota bene in Laren! Heel dom dat ik hem niet gevraagd heb op welk adres dat precies was. Of zou het misschien een van de vele door Komrij door de jaren heen geserveerde Broodjes Aap geweest zijn? [3] Denk daarbij bijvoorbeeld aan dat gehypte handschrift van de cyclus Mijn Minnaars dat - nee, niet in 1991 vanuit Leiden, maar in 1993 vanuit de Amsterdamse Kalverstraat – met veel moeite en na een fikse aanpassing van de prijs uiteindelijk toch een plekje in een particuliere collectie vond. Ook in 1996, na de aanschaf van het fraaie manuscript van Capriccio, dat Komrijs residentie enkele jaren eerder via de achterdeur verlaten had en plotseling bij mij opdook, ratelden de faxmachines. [4] Komrij over het handschrift van Het Chemisch Huwelijk, in een interview afgedrukt in NRC Handelsblad, 17 12 1982: Ik kijk ernaar alsof het door een ander geschreven is en dat duidt er naar mijn gevoel op dat het geslaagd is. Ik zit vaak te knoeien en te mieren, maar het wonderbaarlijke is, dat ik alles van begin tot eind achter elkaar heb opgeschreven, zonder noemenswaardige verbeteringen. In de trance van het schrijfproces had ieder woord betekenis voor me en viel als vanzelf op zijn plaats. Komrij-expert P. van Capelleveen in zijn blog Ligatuur, 8 juni 2017: Dat is een mooie mythe natuurlijk, maar bewijsbaar onjuist. Het handschrift toont dat aan. Over welk handschrift heeft deze medewerker van de KB het hier eigenlijk? [5] Rond deze tijd bevatten de afleveringen van Optima (mede-redactielid Arjan Peters, ook al zo'n geinponem) een rubriek getiteld Cul de Sac, waarin aandacht werd besteed aan onbekende en/of vergeten auteurs. [6] Van die "aanbieding" moet men niet al te veel voorstellen: de antiquaren werden de week die voorafging aan de beurs de gelegenheid geboden een tafeltje in de gelagkamer van Arti et Amicitiae aan het Amsterdamse Rokin vol te storten met koopwaar, waarna hiervoor uitgenodigde (maar zelden acte de presence gevende) journalisten er een blik op zouden kunnen werpen en eventueel een berichtje plaatsen in hun krant of tijdschrift. Door de jaren heen werd de animo hiervoor steeds minder; het zal mij dan ook niet verbazen als Blom die dag de enige geïnteresseerde zou zijn geweest (wist hij veel). [7] Inmiddels is hij ingewisseld voor suffe hopman Pos, niet echt een verbetering als u het mij vraagt. [8] Met die monografie is - op wat foutjes en slordigheidjes na - niet eens zo heel veel mis; zelfs de manier waarop Komrijs relatie tot Boudewijn Büch wordt beschreven kan er wat mij betreft mee door. Helaas geldt dat niet voor Bloms spectaculaire artikel Deze waereld is niet voor mijn plezier ingericht, of: Hier irrt Komrij! dat op 2 maart 2004 paginagroot in dagblad Trouw werd afgedrukt en waarin veel dieper op deze relatie wordt ingegaan. In dit stuk staan dingen die tot onuitroeibare misverstanden hebben geleid want sommige biografen apen andere biografen maar al te graag kritiekloos na. |
||
|